Aangezien zowel de prejudiciële vraag als de motivering van het verwijzende vonnis het verplichte karakter van het verval van het recht tot sturen in het geding brengen en het herstel in dat recht afhankelijk maken van het slagen voor de voormelde examens en onderzoeken, dient te worden beschouwd dat de vraag betrekking heeft op de artikelen 35 en 38, § 4, vierde lid, van de voormelde wetten.
Dès lors que tant la question préjudicielle que la motivation du jugement a quo mettent en cause le caractère obligatoire de la déchéance du droit de conduire et subordonnent la réintégration dans ce droit à la réussite des examens précités, la question doit être entendue comme portant sur les articles 35 et 38, § 4, alinéa 4, des lois précitées.