Der Gesetzgeber konnte nämlich vernünftigerweise urteilen, dass nur die öffentlich-rechtlichen Rechtspersonen und die zu diesem Zweck gegründeten Vereinigungen ohne Gewinnerzielungsabsicht die erforderlichen Garantien hinsichtlich der selbstlosen Beweggründe und der diversen Fähigkeiten für die Wahrnehmung der Aufgabe eines Vermittlers bei der Adoption von Kindern bieten konnten.
Hij kon immers redelijkerwijs van mening zijn dat enkel de publiekrechtelijke rechtspersonen en de verenigingen zonder winstoogmerk opgericht met dat doel de noodzakelijke waarborgen konden bieden inzake de belangeloze beweegredenen en de diverse vaardigheden noodzakelijk voor het vervullen van de taak van tussenpersoon in de adoptie van kinderen.