Boost Your Productivity!Translate documents (Ms-Word, Ms-Excel, ...) faster and better thanks to artificial intelligence!
https://pro.wordscope.com
https://blog. wordscope .com

Vertaling van "nach angefochtenen urteil obliegenden " (Duits → Nederlands) :

Rechtsfehlerhaft sei die Haftung der Union für Rose Vision durch die Eintragung in die Kategorie W 2 des Frühwarnsystems (FWS) nach dem Beschluss 2008/969/EG, Euratom und durch die Einstellung der Zahlungen entstandene Schäden zurückgewiesen worden (Rn. 120 des angefochtenen Urteils).

Onjuiste rechtsopvatting door afwijzing van de aansprakelijkheid van de Unie voor de schade die voortvloeide uit de indeling van Rose Vision bij categorie W 2 van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing (EWS) waarin besluit 2008/969/EG voorziet, alsook door opschorting van de betalingen aan Rose Vision (punt 120 van het bestreden arrest).


Die Rn. 81 bis 83 des angefochtenen Urteils beruhten auf einem falschen Verständnis des Gerichts von den im vorliegenden Fall einschlägigen Vorschriften, insbesondere von Art. 15. 2 des Entscheidung Nr. 204/99 der Autorità per l’energia elettrica e il gas (Aufsichtsbehörde für elektrische Energie und Gas), der klar und deutlich zeige, dass der Alumix-Tarif — selbst nach Einführung der Kompe ...[+++]

In de punten 81-83 van het bestreden arrest heeft het Gerecht de op deze casus toepasselijke bepalingen onjuist gelezen. Dat geldt met name voor artikel 15.2 van besluit nr. 204/99 van de Autorità per l'energia elettrica e il gas, waaruit duidelijk en eenduidig blijkt dat het Alumix-tarief — ook na invoering van het compenserende bestanddeel — in wezen niet is gewijzigd, noch wat betreft de door Alcoa betaalde nettoprijs voor elektriciteit, noch wat betreft de financiering van het mechanisme waarmee deze leveringsprijs aan Alcoa werd gegarandeerd.


Zweitens habe das Gericht in den Rn. 54 bis 56 des angefochtenen Urteils einen Rechtsfehler begangen, die in der Feststellung mündeten, dass „aus Art. 215 Abs. 2 AEUV nicht hervor[geht], dass individuelle restriktive Maßnahmen gegen natürliche oder juristische Personen sowie Gruppierungen oder nichtstaatliche Einheiten nach dem in Art. 215 Abs. 1 AEUV vorgesehenen Verfahren zu erlassen wären“.

Tweede middel: het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in de punten 54 tot en met 56 van het bestreden arrest, die worden samengevat in de overweging dat „uit artikel 215, lid 2, VWEU [niet blijkt] dat individuele beperkende maatregelen jegens natuurlijke personen, rechtspersonen dan wel niet-statelijke groepen of entiteiten moeten worden vastgesteld volgens de in artikel 215, lid 1, VWEU bedoelde procedure”.


In der Rechtsmittelbeantwortung erhebt Herr Meierhofer ferner eine Einrede der Unzulässigkeit des Rechtsmittels, die er damit begründet, dass die Kommission kein Rechtsschutzinteresse mehr habe, da sie die ihr nach dem angefochtenen Urteil obliegenden Verpflichtungen schon dadurch erfüllt habe, dass sie ihm die Zwischennoten seiner mündlichen Prüfung mitgeteilt habe.

Voorts stelt Meierhofer in de memorie van antwoord dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is op grond dat de Commissie geen procesbelang meer heeft, daar zij met de mededeling aan hem van de tussentijdse cijfers voor zijn mondeling examen, reeds heeft voldaan aan de verplichtingen die het bestreden arrest voor haar inhield.


In der Rechtsmittelbeantwortung erhebt Herr Meierhofer ferner eine Einrede der Unzulässigkeit des Rechtsmittels, die er damit begründet, dass die Kommission kein Rechtsschutzinteresse mehr habe, da sie die ihr nach dem angefochtenen Urteil obliegenden Verpflichtungen schon dadurch erfüllt habe, dass sie ihm die Zwischennoten seiner mündlichen Prüfung mitgeteilt habe.

Voorts stelt Meierhofer in de memorie van antwoord dat de hogere voorziening niet-ontvankelijk is op grond dat de Commissie geen procesbelang meer heeft, daar zij met de mededeling aan hem van de tussentijdse cijfers voor zijn mondeling examen, reeds heeft voldaan aan de verplichtingen die het bestreden arrest voor haar inhield.


Erster Rechtsmittelgrund: Das Gericht habe gegen Artikel 24 Absatz 2 VO 4253/88 (1) i.V.m. Artikel 1 VO 2988/95 (2) und den Grundsatz der begrenzten Einzelermächtigung (ex-Artikel 5 EG nunmehr: Artikel 5 Absatz 2 EUV, Artikel 7 AEUV) verstoßen, da es im angefochtenen Urteil rechtsfehlerhaft angenommen habe, dass auch reine Verwaltungsfehler der nationalen Behörden eine „Unregelmäßigkeit“ darstellten, die die Kommission zur Finanzkorrektur nach Artikel 24 Absatz 2 VO 4253/88 berechtige.

Het Gerecht heeft artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88 (1), juncto artikel 1 van verordening nr. 2988/95 (2), en het beginsel van bevoegdheidstoedeling (oud artikel 5 EG, thans artikel 5, lid 2, VEU en artikel 7 VWEU) geschonden, doordat het in het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat ook zuiver administratieve fouten van de nationale autoriteiten een „onregelmatigheid” vormen, die de Commissie machtigt tot een financiële correctie op grond van artikel 24, lid 2, van verordening nr. 4253/88.


Im angefochtenen Urteil hat das Gericht für den öffentlichen Dienst zunächst festgestellt, dass davon auszugehen sei, dass sich die Klage allein gegen die Entscheidung vom 19. Juni 2007 richte, da, wenn ein Bewerber in einem Auswahlverfahren die Überprüfung einer Entscheidung des Prüfungsausschusses beantrage, die von diesem Ausschuss nach der Überprüfung der Situation des Bewerbers getroffene Entscheidung die den Bewerber beschwerende Maßnahme darstelle (Randnrn. 19 und 20 des angefochtenen Urteils).

In het bestreden arrest heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken om te beginnen vastgesteld dat het beroep moest worden beschouwd als uitsluitend gericht tegen het besluit van 19 juni 2007. Wanneer een kandidaat van een vergelijkend onderzoek om een heronderzoek van een door de jury vastgesteld besluit verzoekt, vormt het besluit dat de jury na heronderzoek van de situatie van de kandidaat neemt immers het bezwarend besluit (punten 19 en 20 van het bestreden arrest).


Nach Ansicht der Rechtsmittelführerin hat die Beschwerdekammer des HABM entgegen den vom Gericht im angefochtenen Urteil getroffenen Feststellungen in ihrer vom Gericht zu überprüfenden Entscheidung die Unterscheidungskraft der Anmeldemarke einer erneuten Würdigung unterzogen, ohne der Rechtsmittelführerin Gelegenheit zu geben, sich zu dieser neuen Beurteilung zu äußern.

Volgens rekwirante heeft de kamer van beroep van het BHIM, anders dan het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld, in de aan het Gerecht voorgelegde beslissing een nieuwe beoordeling van het onderscheidend vermogen van het merk van rekwirante verricht zonder rekwirante in de gelegenheid te stellen om opmerkingen te formuleren over deze nieuwe benadering.


Daher konnte das Gericht in Randnummer 39 des angefochtenen Urteils, ohne die in den Randnummern 21 und 22 des angefochtenen Urteils zusammengefassten Beweismittel zu verfälschen, zu dem Ergebnis kommen, dass mit diesen die Unterscheidungskraft der fraglichen Marken im Sinne von Artikel 7 Absatz 1 Buchstabe b der Verordnung Nr. 40/94 nicht nachgewiesen werde, sondern lediglich belegt werden könne, dass diese Marken möglicherweise nach Artikel 7 Absatz 3 der Verordnung Nr. 40/94 infolge ihrer B ...[+++]

Zonder daarmee blijk te geven van een onjuiste opvatting van de bewijselementen kon het Gerecht in deze omstandigheden in punt 39 van het bestreden arrest oordelen dat uit de in de punten 21 en 22 daarvan samengevatte bewijselementen niet bleek dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 hadden en dat zij enkel konden strekken tot het bewijs dat deze merken onderscheidend vermogen konden krijgen door het gebruik dat ervan zou worden gemaakt in de zin van artikel 7, lid 3, van dezelfde verordening.


Daher konnte das Gericht in Randnummer 39 des angefochtenen Urteils, ohne die in den Randnummern 21 und 22 des angefochtenen Urteils zusammengefassten Beweismittel zu verfälschen, zu dem Ergebnis kommen, dass mit diesen die Unterscheidungskraft der fraglichen Marken im Sinne von Artikel 7 Absatz 1 Buchstabe b der Verordnung Nr. 40/94 nicht nachgewiesen werde, sondern lediglich belegt werden könne, dass diese Marken möglicherweise nach Artikel 7 Absatz 3 der Verordnung Nr. 40/94 infolge ihrer B ...[+++]

Zonder daarmee blijk te geven van een onjuiste opvatting van de bewijselementen kon het Gerecht in deze omstandigheden in punt 39 van het bestreden arrest oordelen dat uit de in de punten 21 en 22 daarvan samengevatte bewijselementen niet bleek dat de aangevraagde merken onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7, lid 1, sub b, van verordening nr. 40/94 hadden en dat zij enkel konden strekken tot het bewijs dat deze merken onderscheidend vermogen konden krijgen door het gebruik dat ervan zou worden gemaakt in de zin van artikel 7, lid 3, van dezelfde verordening.




datacenter (6): www.wordscope.be (v4.0.br)

'nach angefochtenen urteil obliegenden' ->

Date index: 2022-03-08
w